Buyk & Partners

Spelregels parkeerboetes verhelderd
03.12.2010
Er zijn de laatste tijd een paar interessante gerechtelijke uitspraken gedaan over ‘parkeerbelasting’:
- het parkeerbeleid moet helder zijn. Als er bijvoorbeeld wordt aangegeven (door een vierkant blauw bord met een witte P) dat ergens geparkeerd mag worden, dan moet er wel met een onderbord worden aangeven dat er sprake is van betaald parkeren, als dat inderdaad de bedoeling is. Ontbreekt er zo’n onderbord, dan hoeft de parkeerder niet zelf uit te zoeken of er mogelijk toch sprake is van betaald parkeren;
- parkeerwachters moeten rekening houden met de tijd die nodig is om naar een parkeerautomaat te lopen, maar ze hoeven géén rekening te houden met de tijd die nodig is voor ‘het verkrijgen van middelen’, zoals het wisselen van geld, of het ophalen van een mobieltje voor belparkeren (parkeerkosten betalen met de mobiele telefoon);
- het opgeven van een verkeerde gebiedscode bij belparkeren kan leiden tot een boete (of beter gezegd: een naheffingsaanslag parkeerbelasting). Het Hof Den Haag oordeelde onlangs dat er in zo’n geval ook geen reden is om de aanslag te verminderen met het geld dat is betaald voor de andere locatie.
Parkeerboetes worden ‘naheffing parkeerbelasting’ genoemd om ervoor te zorgen dat gemeenten het geld zelf kunnen innen. Boetes worden geïnd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en komen daardoor altijd bij het Rijk terecht. Overigens gelden ‘naheffingen parkeerbelasting’ fiscaal gezien wél weer als (niet aftrekbare) boetes.


